Lopende band

In elke hoepel gaat een speler staan met racket. Bij de volle emmer staat ook een speler. Die legt een balletje op het racket van de eerste speler. Die geeft dit balletje door aan de volgende enz. De laatste speler mikt het balletje in de lege emmer. Ieder balletje dat in de emmer komt is 1 punt. Ieder balletje dat op de grond valt, is ‘af’. Die mag teruggebracht worden naar de beginemmer door een andere speler. Het parcours wordt opgesteld door vier hoepels op 1 lijn te leggen. De afstand tussen de hoepels is ongeveer 1 hoepel (aanpassen naar afmetingen van spelers). Aan begin van lijn staat volle emmer met balletjes, aan einde van lijn staat, net buiten bereik een lege emmer.